Mijn vader werkte in de tuinderij van opa. Eindeloze bloemen in een kas. Grote grove handen kreeg hij daarvan. Hij rookte stiekem de rietpluimen aan de rand van de sloot met pretlichtjes in zijn ogen. Verdronk een keer bijna tussen de drollen in het meer. Werd aangevallen door de hond van de buren. Dat is alles wat ik weet.

Mijn moeder, van haar weet ik nog minder. Ze hield meer van haar oma dan van haar ouders. Ze maakte zelf haar kleren uit oude bloemetjesgordijnen. Ze was hippie voordat hippie in was. Haar haren waren donker, ellenlange krullen. Geen wonder dat ik er zoveel moeite mee had toen ze stopte met de borstvoeding.

Ze kwamen bij elkaar toen ze 16 waren. Ze gingen naar Amsterdam, studeerden. Ze werden groot en gelukkig. Mijn vader heeft nog steeds pretlichtjes en grove handen. Mijn moeder is nog steeds mooi.

Ik knikkerde op het pleintje om de hoek, verspeelde stoppertje op de dijk. Eindeloze bloemen in het gras. Ik was intens in mezelf gekeerd. Ik dronk pas toen ik oud werd, rookte nog later, ging naar Amsterdam. Ik kocht mijn jurken op de markt, altijd te veel been. Rode lippen van een hoer. Mannen joegen me na op straat, vrouwen keken snel de andere kant op. Ik was schandalig. Ik was een dromer en een piekeraar.

En lesbisch. Dat is geen bijkomstigheid, dat is niet een van mijn eigenschappen. Dat is bij mij precies waar velen zich tegen afzetten; mijn identiteit. Ik weet niet of het een keuze is, of dat het erin is gegroeid, en ik weet niet of ik het goed vind, of juist slecht.

Soms kijken ze zorgelijk naar me, mijn ouders. Of ik het red in deze wereld. Of ik op mijn 16e geen vriendinnetje had moeten krijgen om bij te blijven. Of ik niet beter niet had kunnen drinken. Niet had kunnen uitgaan. Niet in mijn blote jurkjes mannen op straat negeren en om vervolgens in honderd gayclubs door vrouwen genegeerd te worden. Of lesbisch niet beter mijn geaardheid had kunnen zijn, in plaats van mijn wereld.

Ze zijn lief. Maar ze zijn mij niet. Ik praat, of iemand nou luistert of niet. Ik dans, of iemand nou feest of niet. Ik schrijf, of ik nou verdien of niet. En ik ben, blijf, lesbisch.

Ik werd tot noch toe niet groot, maar wel gelukkig.

Shht

Ik ben er nog. Eigenlijk geen seconde weggeweest. Maar shht, doe alsof je slaapt. Doe alsof je niet weet wat je doet. Drink alsof je dan alles vergeet, vergeet alsof je dan alles mag. Als je alles wil voelen, nooit kan slapen, speel dan nu dat je droomt.

Dan speel ik alsof ik je nog aaien wil. Dan ben ik de acteur die je hand grijpt, je lippen streelt, je voorhoofd kust. Dan maak ik van het script mijn verhaal, jou tot mijn hoofdrolspeelster. Maar shht, het is niet waar. Het kan een ander zijn, het had een ander moeten zijn, het was net nog een ander. Je droomt mij alleen maar. Jij droomt en ik speel en alles is goed.

Denk maar niet dat onze ogen elkaar drinken alsof ze het voor het eerst zien. Dat onze vingers klampen alsof ze dit nooit weerzien. Het is een droom van een spel en een spel over een droom. Het is niet waar, het is niet echt. Elk moment is gelukkig ondenkbaar, onbestaanbaar, ontkenbaar.

En over een paar uur komt de zon alweer op.

Je haalt uit naar de bal, het gras is nat. Je schoen glipt. Zweet drupt langs je hoofd, in je nek, je haar is nat en springt niet meer. Je hoofd is rood en je rent tot je niet meer rennen kan, achter die bal, naar het doel tussen de bomen. Terug als je pootje gehaakt wordt, op de grond moet vallen, het zwarte shirtje dat door het gras rolt. Ondanks de kleur vies kan worden van het groen, het bruin. Van de zweetkringen die niet meer op willen drogen. De adrenaline. Alsof je bijna ontploft van de hitte, alsof je bijna kapot gaat van de steken in je zij. Als je je doel voorbij schiet en blijft rennen, het vrije veld in, naar de bomen, een schreeuw. Wat een verademing, dat loslaten. Zo vies, nat, oncharmant, onopgemaakt, wild en vrij. Zoveel mooier dan ooit.

Ik vermaak mijn eigen herinnering, laat je niet terugkomen om je winst te claimen. De prijs, die blijft liggen. Tot je klaar bent, de wereld rond, te moe om nog een stap te zetten. Tot je weet dat, zelfs als je verdwijnt, niemand die overwinning van je wegnemen kan.

Spanje als besluit

Mijn bikini was stuk, of kwijt, dus ik zwom in mijn beha en string. Beha omdat hij mooi was. String omdat het het enige ondergoed was dat bij de beha paste. Ik had tenslotte mijn tas moeten pakken in een dag.

Meestal droeg ik een bloem in mijn haar. Want die groeiden daar, zo groot en overvloedig dat een haarspeld het niet kon evenaren. En ik sliep op het strand, met die bloemen om me heen. ‘s Avonds liepen we het dorp in. We dronken gin-tonics bij wijze van avondeten, of ontbijt. Een verdwaalde kat liep langs, een verdwaalde jongen floot. 

De trappen waren hoog en de lucht zinderde. Zelfs als we over de verlaten straten thuis kwamen, ‘s nachts. Of ‘s ochtends. Ons in de lakens stortten die nog vochtig waren van de vorige nacht. Slapen kon altijd later. 

Daarom, misschien, dat besluit. Omdat het ticket in mijn mailbox belandde. Omdat ik over het zand rende en je omver wierp om te bijten, rollen, vasthouden. Omdat de trap op een dag niet alleen rook naar bloemen, en mijn geluk nog echode tussen de hoge gebouwen.

Een vluchtweg. De laatste. Vleugels zijn leuk voor wie vliegen wil, schepen zijn om te varen. Ik vertrek, maar ga nergens meer heen.

Bye

Ik vergeet hoe je haar valt en de geur van je lichaam. Hoe zacht het bolt in de schemering. En in het licht. Misschien vergeet ik soms zelfs je naam. Maar hoeveel weken er nog komen, de impact vergeet ik niet. Tienduizend volt, 9/11 keer twee (18/22?).

Misschien ben ik dan daarin tenminste uniek.

Het was nog augustus. Wij keken naar de meisjes. Jij keek verder. Aan allebei de fietsen was een touw gebonden. Het andere eind van de twee touwen hield een slee vast. Hij kletterde over de keien, midden in Amsterdam. Een verhuizing, een ontgroeningsstunt of algemene lolligheid, we wisten het niet. Maar er denderde een slee over de reguliersdwars. In de zomer. En wij zagen het pas achteraf. Jij wist het meteen.

Nu kijk jij weer rond. Wij zien niet verder dan jou. Jij ziet het meisje. Zoals het hoort. Ze heeft geen slee achter haar fiets. Ze heeft geen ronding onder haar broek verstopt. En er komt geen woord uit, behalve om jou te lokken. Eigenlijk heeft zij, hebben zij niets. Dat is precies wat je wilt. De fiets, het touw, de slee, het leidt je alleen maar af. Het maakt het interessant.

Toch leek het ooit, ooit. Alsof je verder keek. Zelfs verder dan wij, die onze vracht dagelijks meetrekken. En dat is het enige dat ik wil herinneren. Want het duurt misschien nog even, en toch is het is er al. De sneeuw valt. En jij bent voorbereid op de winter. Jij hebt tenslotte alles al, ons en je meisjes. Je hebt alleen geen slee.

Ik hoop zo hard dat je niet glijden zal.

The neverending story

Dat boek, the neverending story. Als lijm zat het aan elkaar vastgeplakt. Koningen en koninginnen, draken, zwervers, pagina’s volgekrabbeld met het eigen verhaal. Het verhaal dat ik niet meer ken. Alleen de titel. Dat en het gevoel van verwondering, het op zijn plaats vallen het alles in een zijn en niets meer zijn. Wat een dramatische wetenschap, te streven naar zoiets compleets.

Heel menselijk om te kunnen voelen dat alles klopt. Heel menselijk ook om het nooit te bereiken. Kijken naar groener gras, of geler als je van paardebloemen (die n zit er nog steeds niet in toch?) houdt. Zelfs van Gogh streek wel eens er naast met die verkeerde kant van zijn kwast. En als ik hier lig en mijn ogen sluit en je ruik ben ik er. Maar toch ben ik nog niet eens op de trein gestapt, als je weet wat ik bedoel. Of de trein in gedanst

God kon ik dat maar. De trein in dansen bedoel ik. Of denken dat ik dat kon. Schilderen is ook goed. Abstractie is vast nog in, de rest valt te leren. Maar ik heb niets, niets dan de woorden die ik schrijf, clueless, of clou-loos als je gebroken Nederlands prefereert.

Het xeds een neverending story. Want het heeft geen begin en geen eind en dus kan het doorgaan. Altijd. En er zijn geen grassprieten, of paardenbloemen (ik geef toe aan mijn spellingcorrectie) of dansende treinen die kunnen schilderen als van Gogh. Het is alleen ik, met de slingers die naar beneden blijven vallen en mijn huid die begint te verzakken. Net als het faken van trots, wat ik ooit zo goed kon. Op een dag is het over.

Een einde. Van de act naar onoprecht. Van groen gras naar geel. En dan bedoel ik geen bloemen. Het is the ending story. En toch houdt het voor mij nooit meer op. De enige clou, de sleutel, die focusmogelijkheid die deze blog totaal heeft losgelaten. Wat jullie zoeken, dat eeuwige, allesomvattende, overheersende, al jaren lang. Het meest misbruikte woord in de wereld, de grootste zoektocht. Het meest oneindige ooit. Ik heb het al.

Vertrap me nog wat meer, wat kan mij het schelen. Jullie blijven zoeken naar meer en ik ben er al. Ik kan het tot het einde, ik kan het zonder einde. Ik heb lief gehad.

En dat allemaal zonder het ‘gehad’.

Ah gossie

Het non-woord dat het enige woord hiervoor is. Ach guttogut. Verraad geweld tranen, gekwetste ego’s en paradepaarden die over het hek springen. Ach gossie, lieffie van me, lieffie. Alles valt te helen, behalve deze wereld. Die is vermakelijk stuk. Morgen komt de zon weer op boven de scherven. Tot die tijd, vergeet niet te ademen. In. En uit.

Ik geloof dat ik bij wijze van oefening nog maar een sigaretje neem.

Natuurlijk weet je het. Het is als xe9xe9n plus xe9xe9n, als van zon verbrandt je, als na het leven volgt de dood. Als een joker geeft meer kans op winst. Natuurlijk. Maar dat neemt niets weg en voegt niets toe. De impact die jij misschien verwacht, bestaat niet. Zo wispelturig als verliefdheid is, zo zacht is zijn overgang. Het vraagt niets om te zijn, want het xeds.

Is het desinteresse dat ik ga, of zie je het als verborgen verlangen? Beiden misschien. Maar niet. Desinteresse zou je weten. En verbergen, dat doe ik niet. Geduld ken ik alleen als het er is. Blijkbaar is er niet meer en niet minder dan dit, een willekeurig samengesteld atomenblok en een ander, die elkaar kruisen en aantasten, al is het even. Had een ander blok dezelfde impact gehad? Hoe dan ook, ik laat het gaan. Voor nu.

Wanneer ik bijna thuis ben zie ik de kaarten. Eerst een ruitenaas. Dan een klaverenvrouw. Een schoppenvier en een klaveren acht. Een ruitentwee. Een kaartspel uitgestreken over de stoeptegels. Geen harten. Geen joker. Heeft iemand ze uitgespreid? Of bij een ruzie uit het raam gegooid? Het zou het lot kunnen zijn. Maar ik denk het niet. Ik geloof erin, dat er niets achter zit.

Wij zijn gewoon. Het is gewoon. De kaarten liggen daar gewoon. Het is allemaal, gewoon, toeval.

Doe mij maar de tonijnfilet.

Er zwemmen veel vissen
in deze zee
en ik hou van scholen
ik ga zo mee

hoe ben ik dan
in het net beland
ik hap naar water
maar het is toch land

verliefd? Ik niet.
Maar wat ik zie
Is niets zonder jou.

Of slechts los zand.